Gezinshereniging en het inkomensvereiste – een update

In een eerder artikel gingen we in op de vervagende grenzen van de inkomenseisen voor gezinshereniging. Hierin werd beschreven dat de klassieke voorwaarden die sinds jaar en dag gelden voor gezinshereniging onder druk staan. Dit als gevolg van de Europese Gezinsherenigingsrichtlijn en de rechtspraak van het EU Hof van Justitie. In deze update laten we zien dat de uitgangspunten van het EU Hof van Justitie steeds meer gehoor krijgen bij rechters in Nederland.

Door: Jeroen Maas en Shaima Bouzhou

Wie in Nederland garant wil kunnen staan voor een buitenlandse partner moet zelfstandig over voldoende, duurzame inkomsten beschikken. Wat ‘voldoende’ is wordt in de eerste plaats bepaald door de Nederlandse regelgeving. Echter, als gevolg van het arrest van het EU Hof van Justitie in de zaak Chakroun kan een aanvraag om gezinshereniging niet langer worden afgewezen om de enkele reden dat het inkomen niet voldoet aan de door de IND gestelde normbedragen. Hetzelfde geldt voor de eis dat het inkomen duurzaam moet zijn. Het EU Hof van Justitie bepaalde in het arrest Khachab namelijk dat bij de beoordeling van de duurzaamheid van het inkomen steeds rekening moet worden gehouden met de individuele situatie. Dit in het licht van de vraag of het waarschijnlijk is dat de gezinshereniger in de toekomst een beroep zal doen op de sociale bijstand.

Uit beide arresten volgt dat gezinshereniging de algemene regel is en dat de daaraan te stellen inkomenseisen door de lidstaten van de EU niet zodanig mogen worden toegepast dat afbreuk wordt gedaan aan het doel van de richtlijn en aan het nuttig effect daarvan. De beoordeling van het inkomen van een gezinshereniger moet volgens het Hof in overeenstemming zijn met de beginselen van evenredigheid en proportionaliteit en deze beoordeling moet op individuele basis plaatsvinden. Dit uitgangspunt wordt ook wel het ‘unierechtelijk evenredigheidsbeginsel’ genoemd.

Wat betekent dit voor de Nederlandse praktijk voor gezinshereniging?
Kort gezegd brengt het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel in het kader van de Gezinsherenigingsrichtlijn mee dat een aanvraag om gezinshereniging niet alleen maar kan worden afgewezen omdat inkomen onder de normbedragen van de IND ligt of niet minstens één jaar is gegarandeerd. Afhankelijk van de individuele situatie kan er reden zijn om van de regels af te wijken. Dit bijvoorbeeld omdat de referent van het buitenlandse gezinslid al jaren als uitzendkracht werkt, zonder ooit een beroep te hoeven doen op de bijstand. Ook kan worden geacht aan een referent die beschikt over een aanzienlijk spaartegoed. Dit wordt door de IND normaal gesproken niet als inkomen beschouwd. In het vorige artikel werden enkele uitspraken genoemd waarin het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel door Nederlandse rechters werd toegepast. Hieronder worden enkele recentere uitspraken belicht, aan de hand van verschillende financiële situaties.

1. Spaartegoed / vermogen

In een zaak waarin een referente geen inkomsten had maar alleen beschikte over een aanzienlijk spaartegoed van ruim € 96.000 was de aanvraag om gezinshereniging ten behoeve van haar partner afgewezen. De reden was dat de IND alleen rekening hield met het (fictieve) rendement uit het vermogen, dat neerkwam op ca. € 322 per maand. Het inkomen was volgens de IND niet toereikend omdat dit bedrag niet minstens gelijk was aan het geldende normbedrag.

In een uitspraak van 24 januari 2019 oordeelde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de IND hiermee te kort door de bocht was gegaan. De IND moest volgens de Raad van State een nieuwe beslissing nemen, waarbij onder meer moet worden beoordeeld in hoeverre met het uitgavenpatroon op het vermogen wordt ingeteerd. In de nieuwe beslissing heeft de IND alsnog een verblijfsvergunning verleend.

Uit deze uitspraak volgt dat een spaartegoed toereikend kan zijn om garant te staan voor een buitenlands gezinslid, mits hiermee voor langere tijd is verzekerd dat er geen beroep hoeft te worden gedaan op de bijstand. Een laag uitgavenpatroon kan hieraan bijdragen.

2. Uitzendovereenkomst

Wanneer de referent beschikt over een Fase A uitzendovereenkomst, wordt door de IND vrijwel altijd aangenomen dat het inkomen niet duurzaam is. Deze inkomsten zijn niet tenminste nog één jaar beschikbaar omdat in Fase A normaal gesproken geen sprake is van een loondoorbetalingsverplichting. In deze situatie is het inkomen volgens de regels van de IND alleen duurzaam indien de referent op de datum van de aanvraag in de afgelopen drie jaar een inkomen uit arbeid heeft verdiend dat minstens gelijk is aan het normbedrag voor gezinshereniging.

De Haarlemse rechtbank was het hier niet mee eens in een uitspraak van 1 februari 2019.

De rechtbank oordeelde dat de IND bij de beoordeling van het inkomen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de referent al meerdere jaren in dienst was bij dezelfde werkgever en op de datum van de aanvraag meer dan een jaar onafgebroken voor deze werkgever arbeid heeft verricht. Dit terwijl zijn uitzendovereenkomst die ten tijde van de aanvraag nog zes maanden geldig was, daarna zou worden omgezet in een fase-B overeenkomst. Tot slot had de IND volgens de IND bij de beoordeling moeten betrekken dat de referent in de jaren voorafgaand aan de aanvraag geen beroep heeft gedaan op de sociale bijstand.

3. Wga-uitkering en dienstverband op oproepbasis

Wanneer de referent een WIA-uitkering ontvangt, kan dat leiden tot vrijstelling van het inkomensvereiste wegens blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid. Volgens de IND kan dat alleen wanneer de WIA-uitkering is gebaseerd op de IVA regeling. In die situatie wordt de arbeidsongeschiktheid als blijvend aangemerkt. Krijgt de referent een WIA-uitkering op grond van de WGA regeling, dan kan geen beroep worden gedaan op vrijstelling van inkomen omdat er een meer dan geringe kans op herstel bestaat

In een zaak waarin een referent een WIA/WGA uitkering ontving wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid oordeelde de Utrechtse rechtbank in een uitspraak van 12 februari 2019 dat de IND ten onrechte de aanvraag om gezinshereniging afwees in verband met het ontbreken van voldoende, duurzame inkomsten. De WGA-uitkering was onder het geldende normbedrag. Daarnaast beschikte de referent over een dienstverband op oproepbasis waardoor de inkomsten uit dit dienstverband volgens de IND ‘onregelmatig en niet structureel’ zijn.

De rechtbank vond dat de IND naar aanleiding van de door de referent aangevoerde omstandigheden een individuele beoordeling moest maken, waarbij tevens moest worden beoordeeld of de middelen die ter beschikking staan, voor de referent en zijn partner al dan niet voldoende zijn om in de behoeften te voorzien.

Lessen voor de praktijk

Niet alle zaken waarin een beroep wordt gedaan op het Unierechtelijk evenredigheidbeginsel leiden tot een positief resultaat. Er zijn genoeg uitspraken bekend gemaakt waarin de rechtbank het wél eens was met de IND. Het grootste verschil lijkt te zijn gelegen in hoe de aanvraag wordt onderbouwd. De IND kan alleen rekening houden met individuele omstandigheden wanneer de referent deze naar voren brengt, zo veel mogelijk onderbouwd met bewijsstukken.

Het nadeel van de individuele beoordeling is dat van tevoren geen zekerheid bestaat over de kans van slagen van een aanvraag om gezinshereniging. Daarom is het altijd beter als wél aan de inkomensvoorwaarden van de IND is voldaan. Lukt dat niet, dan moet de referent bij de aanvraag om gezinshereniging zo veel mogelijk onderbouwen waarom in zijn geval geen of weinig risico bestaat dat hij een beroep zal doen op de bijstand.

Hierbij kunnen onder meer de volgende omstandigheden naar voren worden gebracht:

  • Eventueel aanwezige spaargelden of vermogen, waardoor geen beroep op de bijstand kan worden gedaan;
  • Er is nooit of niet in het recente verleden een beroep gedaan op de bijstand;
  • Het is in de bedrijfstak waar wordt gewerkt niet gebruikelijk om met langdurige arbeidscontracten te werken;
  • Er wordt structureel meer gewerkt dan het aantal uren dat in de arbeidsovereenkomst is opgenomen, waardoor het feitelijke inkomen hoger ligt dan het overeengekomen brutoloon;
  • Vanwege het opleidingsniveau of door een tekort op de arbeidsmarkt voor bepaalde beroepen is er voldoende zicht op werk of voortzetting daarvan in de toekomst;
  • De inkomsten uit onderneming zijn nog niet minstens anderhalf jaar beschikbaar, maar zijn wel stabiel en de vooruitzichten zijn gunstig
  • Er is sprake van een laag uitgavenpatroon, bijvoorbeeld omdat de hypotheek is afbetaald of de referent geen woonlasten hoeft te betalen

Terug naar overzicht