Rechtbank Middelburg 16 september 2019, AWB 18/9252

Samenvatting

In deze zaak heeft de IND de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd om onderzoek te doen naar de afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en zijn dochter.

In het onderzoeksrapport van de Raad, dat verweerder aan het primaire en het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, staat het volgende als conclusie genoteerd:

“Hoewel het contact tussen [naam 3] en vader op dit moment beperkt is en de rol van vader in de verzorging en opvoeding zeer minimaal is, is zijn aanwezigheid in het leven van [naam 3] belangrijk. Met name voor het tot stand komen van een band tussen [naam 3] en vader, de ontwikkeling van een positief zelfbeeld en naarmate ze ouder wordt de identiteitsvorming. Er is daarom sprake van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat het belang van [naam 3] wordt geschaad als de derdelander ouder vertrekt. Wel is het van belang dat vader initiatief neemt, beide ouders zich houden aan gemaakte afspraken en dat ouders op een transparante en eerlijke wijze met elkaar communiceren over verwachtingen naar elkaar en zorgen en wensen die zij hebben als het gaat om de behoeften van [naam 3].”

11. Naar het oordeel van de rechtbank dient dit rapport te worden beschouwd als een

deskundigenadvies aan verweerder ten aanzien van de beoordeling van de afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en [naam 3] . De rechtbank is van oordeel dat verweerder met zijn constatering, dat [naam 3] momenteel geen last lijkt te ondervinden van eisers huidige beperkte rol, de vorenstaande conclusie van de Raad niet zonder meer terzijde kan schuiven. Het standpunt van verweerder in zijn verweerschrift van 9 augustus 2019, dat volgens het arrest Chavez-Vilchez doorslaggevend is de vraag of sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen de ouder en het kind, dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan de ouder verblijfrecht wordt geweigerd, is naar het oordeel van de rechtbank niet helemaal in overeenstemming met het beleid van verweerder. In onderdeel d, zoals hierboven vermeld, is immers de wijze van beoordeling van de afhankelijkheidsverhouding nader ingevuld, waarbij verweerder in het bijzonder de omstandigheid betrekt van het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als het van de vreemdeling zou worden gescheiden. De rechtbank is van oordeel dat de Raad over deze omstandigheid een heldere conclusie heeft getrokken, dat verweerder niet zonder deugdelijke motivering naast zich neer kan leggen. Daarnaast heeft eiser, anders dan verweerder heeft gesteld, in de bezwaarfase wel degelijk relevante nieuwe omstandigheden naar voren gebracht. Eiser heeft immers in bezwaar aangevoerd dat hij inmiddels vanuit Den Haag naar Enschede is verhuisd om dichter bij zijn dochter te wonen, dat hij daar werk heeft gevonden en meer financiële ruimte heeft om bij te dragen in het levensonderhoud van zijn dochter. Dit is een relevante omstandigheid, gelet op het feit dat de Raad in haar rapport nog heeft vermeld dat de grote reisafstand van eiser (Den Haag – Zutphen) de omgang praktisch gezien bemoeilijkt. Gelet hierop en op de volgens de Raad gestelde beperkte geldigheid in tijd van haar rapport van 8 februari 2018, is eiser bovendien ten onrechte niet in bezwaar gehoord. Niet gesteld kan worden immers dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren van eiser niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

Link naar volledige uitspraak (rechtspraak.nl)

Terug naar overzicht