Rechtbank Haarlem 2 april 2020, AWB 19/7766

Link naar uitspraak (rechtspraak.nl)

ECLI:NL:RBDHA:2020:3131

Instantie
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem
Datum uitspraak
02-04-2020
Zaaknummer
AWB 19/7766 en AWB 19/7767
Inhoudsindicatie

Aanvraag document artikel 9 Vw voor verblijf bij zoon o.g.v. Chavez-Vilchez. Afhankelijkheid en zorgtaken voor referent niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft geen objectief bewijs overgelegd ter onderbouwing van zijn zorgtaken voor referent. Het overgelegde ouderschapsplan is daartoe onvoldoende. Uit het ouderschapsplan kan niet worden opgemaakt op welke wijze eiser invulling geeft aan zorgtaken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/7766 (beroep)

AWB 19/7767 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 2 april 2020 in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum 1] , van Surinaamse nationaliteit,

v-nummer [v-nummer] ,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder,

(gemachtigde: mr. C.W. Griffioen).

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen.

Bij besluit van 12 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft op 19 februari 2020 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] en heeft de Surinaamse nationaliteit. Op 18 december 2018 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft verzocht om toetsing aan het recht van de Europese Unie en heeft daarbij een beroep gedaan op het arrest Chavez-Vilchez1 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Eiser is de vader van [referent] (referent). Referent is geboren op [geboortedatum 2] en heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiser heeft referent op 21 april 2018 erkend.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat onvoldoende is aangetoond dat eiser daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken voor referent vervult en dat er sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat referent het grondgebied van de Europese Unie moet verlaten als het gevraagde document wordt geweigerd.

3. Eiser voert aan dat hij zorg- en opvoedingstaken voor referent vervult. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een door eiser en de moeder van referent opgesteld en ondertekend ouderschapsplan overgelegd. Ook is een verklaring van de moeder van referent overgelegd waaruit blijkt dat eiser de omgangsregeling nakomt. Het is voor eiser niet mogelijk om stukken uit objectieve bron over te leggen waaruit blijkt dat de omgangsregeling wordt nagekomen, omdat derden dat niet kunnen beoordelen. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 27 juni 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:6516). Uit deze uitspraak volgt dat met het overleggen van een omgangsregeling wordt voldaan aan de in het arrest Chavez-Vilchez bedoelde stelplicht.

3.1

Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) zich verzet tegen de weigering van verblijf aan familieleden van een Unieburger, die tot gevolg heeft dat de Unieburger het effectieve genot van de voornaamste aan zijn status ontleende rechten wordt ontzegd. In dit verband heeft het Hof overwogen dat er zeer bijzondere situaties bestaan waarin aan een onderdaan die familielid is van een Unieburger een verblijfsrecht moet worden toegekend. Deze bijzondere situatie doet zich voor indien de betrokkene op geen enkele wijze kan worden gescheiden van het familielid van wie hij afhankelijk is. In dit geval moet dus worden getoetst of referent op een zodanige manier afhankelijk is van eiser, dat hij de Unie zouden moeten verlaten indien eiser een afwijzing op zijn aanvraag ontvangt.

3.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in die mate invulling geeft aan zijn relatie met referent dat gesproken kan worden van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat referent bij weigering van het verblijfsrecht aan eiser genoodzaakt is het grondgebied van de EU te verlaten. De rechtbank acht voor haar oordeel van belang dat eiser niet met objectieve stukken heeft aangetoond dat sprake is van zodanig contact tussen hem en referent dat gesproken kan worden van een afhankelijkheidsrelatie. Het overgelegde ouderschapsplan acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Dat klemt te meer nu uit het ouderschapsplan niet kan worden opgemaakt op welke wijze eiser invulling geeft aan zijn zorg- en opvoedtaken. Ook ter zitting heeft eiser hier geen duidelijkheid over kunnen geven. De vergelijking met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 27 juni 2019 gaat reeds daarom niet op.
Ook de verklaring van de moeder van referent dat eiser zich houdt aan het ouderschapsplan en betrokken is bij de opvoeding en verzorging van referent, heeft verweerder onvoldoende kunnen achten omdat dit niet kan worden beschouwd als objectief bewijs. De rechtbank ziet niet in waarom het voor eiser onmogelijk zou zijn om de gestelde zorgtaken met objectief bewijs te onderbouwen. De ter zitting naar voren gebrachte recente omstandigheden dat eiser weer een relatie heeft met de moeder van referent en er een tweede kindje op komst is, zijn nieuwe omstandigheden die verweerder niet bij het besluit heeft kunnen betrekken en doen daarom niet af aan het voorgaande. De beroepsgrond slaagt niet.

4. Eiser voert verder aan dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden omdat het bezwaar niet kennelijk ongegrond is verklaard. In het bestreden besluit staat onder het kopje ‘Besluit’ immers dat het bezwaar ongegrond wordt verklaard.

4.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bezwaar terecht kennelijk ongegrond is verklaard. Uit het primaire besluit wordt duidelijk dat de gestelde zorgtaken met objectieve bewijsstukken moeten worden onderbouwd. In bezwaar zijn deze stukken niet overgelegd. Verweerder heeft daarom af kunnen zien van het horen van eiser.

4.2

Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan van horen worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Hiervan is slechts sprake indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend oordeel. Daarvan is in het onderhavige zaak sprake, gelet op hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd en hetgeen in het voorgaande is overwogen.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Bij deze beslissing over het beroep van eiser is er geen grond meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Mac Donald, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 2 april 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:345.

Terug naar overzicht