Rechtbank Groningen 24 december 2019, AWB 18/8738

Samenvatting

8. Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het arrest van het Hof van 10 mei 2017 (Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354) en dat hij aan dat arrest een afgeleid verblijfsrecht kan ontlenen. Eiser stelt dat zijn dochters de Nederlandse nationaliteit bezitten en dat zij een afhankelijkheidsrelatie met hem hebben. Bij een weigering eiser verblijf binnen de Europese Unie toe te staan, worden zijn dochters gedwongen om het grondgebied van de Europese Unie eveneens te verlaten. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat zijn dochter [naam dochter 2] hem niet gaat opzoeken in Turkije omdat zij snel heimwee heeft en dat zijn dochter [dochter 1] het vreselijk zou vinden als haar vader zou worden uitgezet naar Turkije.

8.1. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op het arrest Chavez-Vilchez doorslaggevend is of eiser de daadwerkelijke zorg heeft voor zijn kinderen en of sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit gehandhaafde primaire besluit voldoende heeft gemotiveerd dat er geen reden is om aan te nemen dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie, dat [dochter 1] gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te moeten verlaten. Dit geldt ook voor eisers andere dochter [naam dochter 2] . Zij heeft ter zitting ook verklaard dat zij helemaal niet naar Turkije kan en wil. Nu niet is gebleken dat de dochters van eiser gedwongen worden om met hun vader, nadat hij zijn straf heeft uitgezeten, terug te gaan naar Turkije, slaagt het beroep van eiser op het arrest Chavez-Vilchez reeds daarom niet.

9. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte geen vertrektermijn heeft gegeven. Eiser stelt dat uit paragraaf B11/4 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 volgt dat, wanneer het rechtmatig verblijf is beëindigd, hij niet mag worden uitgezet voordat hem vier weken zijn gegund om te vertrekken naar een plaats buiten Nederland waar zijn toelating is gewaarborgd.

9.1. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Op grond van artikel 27, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 geldt het besluit tot intrekking tevens als terugkeerbesluit. Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan een vertrektermijn worden onthouden in het geval de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. Nu hiervoor is overwogen dat verweerder niet ten onrechte heeft gesteld dat eiser een actuele, werkelijk en voldoende ernstige bedreiging vormt voor de samenleving ten aanzien van eiser, volgt daaruit dat verweerder bevoegd was aan eiser een vertrektermijn te onthouden. Dat heeft verweerder ook gedaan. Dit betekent dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Het beroep van eiser op paragraaf B11/4 van de Vc 2000 kan hem niet baten.

10. Eiser voert ten slotte aan dat verweerder in strijd met artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb ten onrechte heeft afgezien van het horen van zijn dochters [dochter 1] en [naam dochter 2] . Hij stelt in dat verband dat in bezwaar nieuwe bewijsstukken zijn ingebracht en dat verweerder is verzocht om zijn dochters te horen in het kader van artikel 12 van het van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Nu verweerder dat heeft nagelaten, is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.

10.1. De rechtbank stelt voorop dat het horen een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure. Met toepassing van artikel 7:3 van de Awb kan van het horen dan ook slechts worden afgezien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een ander besluit. De rechtbank is van oordeel, gelet op de belangen van de kinderen die op het spel staan en de in bezwaar overgelegde nieuwe bewijsstukken, dat verweerder niet van het horen in bezwaar had mogen afzien. Dit betekent dat in het onderhavige geval het bezwaar van eiser ten onrechte met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kennelijk ongegrond is verklaard.
 
10.2. De rechtbank ziet echter aanleiding om de schending van de hoorplicht met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, nu eiser zijn bezwaren in beroep alsnog schriftelijk en mondeling heeft toegelicht en aannemelijk is dat hij niet is benadeeld door de schending van de hoorplicht. Daar komt bij eisers dochter [naam dochter 2] ter zitting uit haar verklaring heeft voorgedragen en haar verhaal naar voren heeft kunnen brengen.
 

Terug naar overzicht