Rechtbank Den Haag 26 februari 2020, AWB 19/2409

Samenvatting

4.2 De rechtbank is van oordeel dat het arrest Chavez-Vilchez zich beperkt tot de vraag of een kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan zijn derdelander ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten in het arrest Chavez-Vilchez voor de conclusie dat wat in het arrest is overwogen ook van toepassing zou zijn in het geval dat de kinderen van eiseres niet het grondgebied van de Unie, maar slechts een lidstaat dient te verlaten. Eiseres wordt dan ook niet gevolgd in haar stelling dat verweerder een onjuiste lezing geeft van dit arrest. Indien eiseres een verblijfsrecht heeft in Spanje, kan zij zich niet beroepen op arrest Chavez-Vilchez omdat referenten door haar daarheen te volgen niet het grondgebied van de Europese Unie verlaten.

4.3. De rechtbank stelt voorop dat een verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan een declaratoir recht is, zoals overwogen door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 25 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2097). Dat wil zeggen dat het bezit van een verblijfsdocument niet bepalend is voor het daadwerkelijk hebben van rechtmatig verblijf. Het verblijfsrecht bij partner komt niet zonder meer te vervallen door enkel het verlopen en niet verlengen van het verblijfsdocument. Indien wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder het verblijfsdocument is afgegeven, komt het verblijfsrecht van eiseres in Spanje niet te vervallen. Wanneer echter niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden, eindigt het recht.

4.4. Eiseres heeft een Spaans verblijfsdocument overgelegd. Hieruit vloeit voort dat zij bij afgifte van het document heeft voldaan aan de voorwaarden voor verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan. Eiseres heeft aangevoerd dat haar verblijfsvergunning is verstreken, zij langdurig buiten Spanje heeft verbleven, haar relatie is verbroken en ze niet voldoet aan het Spaanse middelenvereiste voor rechtmatig verblijf. Eiseres heeft echter haar stellingen niet met stukken onderbouwd. Niet is gebleken dat de relatie is verbroken, dat eiseres geen inkomen heeft of dat zij meer dan zes maanden buiten Spanje heeft verbleven. Daarbij mocht verweerder ervan uitgaan dat de geldigheidsdatum genoteerd op het verblijfsdocument op de duur van het document zelf ziet en niet op haar verblijfsrecht.

4.5.  Nu is vast komen te staan dat eiseres in het verleden heeft voldaan aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht bij partner, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres voldeed en nog steeds voldoet aan de voorwaarden en zij een verblijfsrecht heeft in Spanje. Het is aan eiseres om aan te tonen dat zij niet langer voldoet aan de voorwaarden en derhalve haar Spaanse verblijfsrecht heeft verloren. Eiseres heeft dit niet gedaan.
 
4.6. Eiseres heeft ter zitting verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 12 april 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:5329). Eiseres heeft evenwel haar stellingen over het verlies aan verblijfsrecht in Spanje niet aannemelijk gemaakt, waardoor er geen vergelijkbaar geval is.
 
4.7. De rechtbank concludeert dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij geen verblijfsrecht in Spanje heeft. Nu verweerder ervan uit mocht gaan dat eiseres verblijfsrecht in Spanje heeft, heeft hij op goede gronden de aanvraag van eiseres afgewezen en zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet de Europese Unie hoeft te verlaten maar naar Spanje kan terugkeren.
 

Terug naar overzicht