Ga direct naar de inhoud.

Informatie over de rechtspositie van Turkse onderdanen

DE BIJZONDERE RECHTSPOSITIE VAN TURKSE ONDERDANEN

De rechtspositie van Turkse onderdanen is in veel gevallen anders dan van andere (niet-EU) nationaliteiten. Hieronder volgt een uiteenzetting van de geschiedenis en van de aard van deze rechtspositie, die met de dag terrein lijkt te winnen.

Achtergrond

In 1963 tekenden Turkije en de Europese Gemeenschap (EG) een associatieovereenkomst. Met de samenwerking tussen de EG en Turkije was bedoeld om de verschillen tussen beide partijen weg te nemen, met als uiteindelijke doel dat Turkije in de toekomst zou kunnen toetreden tot de EG. Deze samenwerking is officieel van start gegaan op 1 december 1964.

In de overeenkomst tussen Turkije en de EG zijn regels opgenomen die moeten leiden tot een geleidelijke realisatie van het vrije verkeer van werknemers en een geleidelijke opheffing van de beperkingen voor vestiging van zelfstandigen en het dienstenverkeer, net zoals geldt binnen de huidige EU. De overeenkomstige bepalingen uit het EG-verdrag gelden als leidraad voor de afspraken tussen de EG en Turkije.

De Associatieovereenkomst heeft een nadere uitwerking gekregen in het Aanvullend Protocol dat op 1 januari 1973 in werking is getreden.

Als onderdeel van de samenwerking is een Associatieraad EEG-Turkije ingesteld, onder meer bestaande uit leden van de regeringen van de EG-landen en van Turkije. De Associatieraad is bevoegd om besluiten te nemen over de verwezenlijking van de Turks-Europese integratie.

Besluit 1/80

Een belangrijk besluit dat door de Associatieraad is genomen betreft Besluit 1/80 inzake rechten van Turkse werknemers en hun familieleden. Dit besluit regelt de rechten van Turkse werknemers en hun gezinsleden om in het gastland te blijven nadat daar legaal arbeid is verricht. Het besluit is op 1 december 1980 in werking getreden.

In artikel 13 van Besluit 1/80 is de zogenoemde standstill-bepaling opgenomen.
Dit artikel bepaalt dat de lidstaten geen nieuwe beperkingen mogen invoeren met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt van Turkse werknemers en hun gezinsleden.

De standstill bepaling komt erop neer dat alle regels die na 1 december 1980 de toegang van Turkse onderdanen tot de arbeidsmarkt in een andere lidstaat beperken, niet van toepassing zijn op Turkse onderdanen. Turkse onderdanen kunnen een beroep doen op de gunstigere regelingen die op of vóór 1 december 1980 golden.

Omdat de vreemdelingenwetten sinds 1980 steeds strenger zijn geworden, kunnen Turkse onderdanen vaak een beroep doen op een gunstigere, oudere regeling.

Daarnaast wordt binnen de rechtspraak van het Europese hof van Justitie een steeds ruimere uitleg gegeven aan de rechten van Turkse onderdanen, zoals vastgelegd in Besluit 1/80.

Europese rechtspraak

De volgende arresten verdienen hier vermelding:

Arresten Abatay en Sahin (Hof van Justitie EG in gevoegde zaken C-317/01 en C-369/01): In deze uitspraak heeft het Europese Hof van Justitie geoordeeld dat het doel van artikel 13 van het Besluit 1/80 niet de bescherming van de rechten van Turkse onderdanen op het gebied van het verrichten van arbeid kan zijn, omdat dit recht al in een ander artikel van Besluit 1/80 is geregeld. Volgens het Hof moet de standstill-bepaling van artikel 13 aldus te worden opgevat dat zij de invoering van alle nieuwe maatregelen verbiedt die tot doel of tot gevolg zouden hebben de vestiging van Turkse staatsburgers in een lidstaat te onderwerpen aan strengere voorwaarden dan die welke voortvloeien uit de regels die op de datum van inwerkingtreding van het aanvullend protocol voor de betrokken lidstaat golden.

Arresten Toprak en Oguz (Hof van Justitie EG in gevoegde zaken C-300/09 en C-301/09). In deze arresten heeft het Hof geoordeeld dat een aanscherping van een na 1 december 1980 ingevoerde bepaling, die een versoepeling vormde van de op 1 december 1980 toepasselijke bepaling, een "nieuwe beperking” vormt en daarmee in strijd is met de standstill-bepaling van artikel 13 Besluit 1/80. Het gevolg is dat wanneer na 1 december 1980 tijdelijk een gunstigere regeling heeft gegolden, de afschaffing van die regeling niet geldt ten aanzien van Turkse onderdanen. Voor hen blijft de gunstigere regel dus gewoon gelden.

Gevolgen voor de positie van Turkse onderdanen

De bijzondere rechtspositie van Turken in Europa is voortdurend onderwerp van procedures. De Europese lidstaten proberen vaak de rechtspositie van Turkse onderdanen te negeren bij wijziging van de nationale immigratieregels. Desondanks worden de uitspraken van de rechters steeds duidelijker en wordt de rechtspositie van Turkse onderdanen steeds sterker.

Inmiddels is er veel terrein gewonnen voor Turkse onderdanen. Zo is inmiddels (onder meer) bepaald dat de hoogte van het legesbedrag voor Turkse onderdanen te hoog was, dat Turkse onderdanen niet hoeven in te burgeren en dat de strenge voorwaarden voor verblijf als zelfstandig ondernemer voor Turkse ondernemers niet gelden.

Wat valt er nog te winnen voor Turkse onderdanen?

Op 7 november 2013 heeft het EU Hof van Justitie een belangrijke uitspraak gedaan naar aanleiding van vragen die aan het Hof waren gesteld door de Nederlandse Raad van State.

De Raad van State had het Hof verzocht antwoord te geven op de vraag of het MVV-vereiste mag worden toegepast ten aanzien van Turkse onderdanen. 

Het EU Hof van Justitie heeft in de uitspraak van 7 november 2013 geoordeeld dat de standstillbepaling niet buiten toepassing kan worden gelaten op grond van het enkele feit dat de maatregel tot doel heeft illegale binnenkomst en illegaal verblijf, voorafgaand aan het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning, tegen te gaan.

Daarnaast heeft het Hof geoordeeld dat het begrip „legaal verblijf” in de zin van artikel 13 van Besluit inhoudt, dat de Turkse werknemer of het lid van zijn gezin zich moet hebben gehouden aan de regels van de gastlidstaat op het gebied van de toegang, het verblijf en eventueel het verrichten van arbeid, en zich derhalve legaal op het grondgebied van die lidstaat bevindt. Het is volgens het Hof niet zo dat alleen wanneer men in het bezit is van een MVV sprake is van 'legaal verblijf'.

Naar aanleiding van de uitspraak van het Europese Hof, heeft de Nederlandse Raad van State op 30 april 2014 beslist dat de Staatssecretaris niet duidelijk heeft gemaakt waarom geen uitzondering op het MVV-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond kan worden gemaakt in het geval van de desbetreffende Turkse onderdaan die bij het indienen van een aanvraag onmiddellijk en met relevante stukken, voor zover vereist, kan aantonen dat hij, behoudens het beschikken over een MVV, aan alle voor de door hem beoogde toelating gestelde vereisten voldoet.

De uitspraak heeft mogelijk verstrekkende gevolgen voor het toelatingsbeleid ten aanzien van Turkse onderdanen en de rol die het MVV-vereiste hierin speelt. Op dit moment is de IND nieuwe beleidsregels aan het ontwikkelen om gehoor te geven aan de uitspraak van de Raad van State.

Verder is te verwachten dat Turkse onderdanen een beroep kunnen doen op andere, oudere regelingen die gunstiger zijn voor gezinsmigratie. Hierbij valt te denken aan het volgende:

  • Seniorenbeleid’: Dit was het beleid voor alleenstaande ouders om bij hun kind(eren) in Nederland te verblijven. Het beleid is op 1 oktober 2012 afgeschaft;
  • Leeftijdsvereiste: voorheen gold een leeftijdsvereiste van minimaal 18 jaar voor gezinshereniging bij gehuwde partners. Nu is dit 21 jaar. [UPDATE 12-11-2014: het leeftijdsvereiste is met ingang van november 2014 aangepast naar 18 jaar voor Turkse werknemers en hun gezinsleden (partners): lees meer]; 
  • Voortgezet verblijf: Tot 1 oktober 2012 kon men na drie jaar verblijf bij een partner al een zelfstandige verblijfsvergunning krijgen. Nu is dat pas na vijf jaar;
  • Inkomensvereiste:
    - Tijdens de inwerkingtreding van de standstill-bepaling gold voor gezinshereniging alleen dat de referent over voldoende inkomsten moest beschikken en niet over duurzame inkomsten. De eis dat het inkomen duurzaam is geldt dan ook niet ten aanzien van referenten met de Turkse nationaliteit.
    - Vroeger gold een lager inkomensvereiste voor jongvolwassenen (onder de 23 jaar).
    - Daarnaast gold tot 2004 een inkomensvrijstelling voor een alleenstaande ouder met een kind in Nederland van jonger dan 5 jaar. Dat Turkse werknemers hier nog steeds een beroep op kunnen doen volgt uit de uitspraak van 27 mei 2016 van de rechtbank te Amsterdam. Uit de uitspraak volgt tevens dat de status van werknemer niet zomaar verloren gaat, bijvoorbeeld door onvrijwillige werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. Deze uitspraak is door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bekrachtigd bij uitspraak van 8 november 2016.

Het past in de lijn van de rechtspraak dat de wijzigingen in bovengenoemde regelingen moeten worden gezien als ‘aanscherpingen’, die niet gelden met betrekking tot Turkse onderdanen. Zij zouden dan ook nog een beroep moeten kunnen doen op de oudere regelingen.

Omdat het uiteindelijke doel van de associatieovereenkomst is dat Turkije kan toetreden tot de EU, zullen de verschillen steeds meer worden weggenomen en zullen de rechten van Turkse onderdanen steeds meer vergelijkbaar zijn met die van burgers van de Unie.

Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan contact met ons op. 

Lees ook