Ga direct naar de inhoud.

Advocaat-Generaal van het EU-Hof van justitie adviseert over inburgeringseisen

Op 1 april 2014 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State aan het Europese Hof van Justitie vragen gesteld over de toelaatbaarheid van het inburgeringsvereiste in het kader van aanvragen om gezinshereniging (zie hierover het uitgebreide nieuwsbericht).

In een soortgelijk geval zijn door de Duitse rechter vragen aan het Europese Hof gesteld. In die zaak heeft de Advocaat-Generaal op 30 april 2014 aan het Hof geadviseerd vast te stellen dat inburgeringsvoorwaarden die door een lidstaat worden gesteld aan de komst van een partner of echtgenoot naar dat land in strijd zijn met de Europese Richtlijn 2003/86/EG (ook wel: 'de Gezinsherenigingsrichtlijn'). Dit voor zover een aanvraag om gezinshereniging wordt afgewezen om de enkele reden dat de betrokken partner het inburgeringsexamen niet heeft gehaald.

Volgens de Advocaat-Generaal mogen er wel inburgeringsvoorwaarden worden gesteld, maar niet zonder dat is voorzien in de eventuele toekenning van vrijstellingen op basis van verricht individueel onderzoek van het verzoek tot gezinshereniging, waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van de minderjarige kinderen en met alle relevante omstandigheden van het specifieke geval. Tot die omstandigheden behoren met name enerzijds de beschikbaarheid in de staat van de woonplaats van de genoemde echtgenoot van het onderwijs en het materiaal dat nodig is om het vereiste taalniveau te bereiken alsook de toegankelijkheid ervan, in het bijzonder wat de kosten betreft, en anderzijds de eventuele, zelfs tijdelijke, problemen die verband houden met de gezondheid van het betrokken gezinslid of met zijn persoonlijke situatie zoals leeftijd, ongeletterdheid, handicap en opleidingsniveau.

Inburgeringsvoorwaarden mogen het volgens de Advocaat-Generaal dus niet praktisch onmogelijk maken voor mensen om zich bij hun partner of echtgenoot te voegen. Er moet voldoende rekening worden gehouden met persoonlijke omstandigheden, al dan niet in combinatie met de beschikbaarheid van en toegankelijkheid tot onderwijsmateriaal.

Lees meer over het advies van de Advocaat-Generaal in het persbericht van het Europese Hof van Justitie.

Het Europese Hof moet nog uitspraak doen in deze zaak. Dan pas zal blijken wat de eventuele gevolgen zijn voor de regels in Nederland zijn. 

De Gezinsherenigingsrichtlijn is van toepassing op gezinsleden van personen in die in de EU verblijven, met de nationaltiteit van een derde land. Deze geldt dus niet voor gezinsleden van personen die (alleen) de Nederlandse nationaliteit bezitten.

[UPDATE] Op 10 juli 2014 heeft het Europese Hof uitspraak gedaan in deze zaak. Het Hof is van oordeel dat de voorwaarde van inburgering in het buitenland voorafgaande aan gezinshereniging met Turkse staatsburgers in Duitsland in strijd is met de Turks-Europese Associatieovereenkomst. Deze voorwaarde is namelijk ingevoerd ná de inwerkingtreding van de overeenkomst tussen Turkije en de EEG en geldt daarom niet ten aanzien van Turkse onderdanen. Zie hierover meer op de informatiepagina over gezinshereniging van Turkse onderdanen.

Omdat de inburgeringseisen in strijd zijn met de Turks-Europese overeenkomst, is het Hof verder niet toegekomen aan de vraag of deze ook in strijd zijn met de EU Gezinsherenigingsrichtlijn. Hierover loopt nog wel een andere procedure bij het Europese Hof naar aanleiding van vragen die door de Nederlandse Raad van State zijn gesteld. Zie hierover het betreffende nieuwsbericht.

Lees ook